COLUMNS OVER ORGEL EN HARMONIUM

VERBAZEN

Als zwervende columnist van Vox Humana vang ik van tijd tot tijd verhalen op die onderhoudend kunnen zijn voor harmoniumliefhebbers. Ik wist bijvoorbeeld niet dat de vader van de componist Willem Pijper regelmatig een harmonium bespeelde, terwijl ik dacht álles van Willem Pijper te weten. Hij was immers bevriend met de schrijver S. Vestdijk over wie ik een biografie schreef en publiceerde. Ik vertelde dit verhaal aan de dichter Jean Pierre Rawie en vroeg hem daarna of hij niet een herinnering had aan het harmonium. Zijn vader was immers dominee, en ik veronderstelde dat er dan wel een instrument in de pastorie zou staan. Die veronderstelling bleek onjuist. Vader Rawie was legerpredikant en ‘dus’ uithuizig, maar belangrijker was dat hij een doopsgezinde dominee was, en, zo beweerde Jean Pierre, doopsgezinden hadden geen harmonium in huis. Ik wacht de reacties op deze pittige bewering af.

orgel

Pittig was het recente bezoek dat ik bracht aan een tamelijk verwaarloosde kerk in de prachtige stad Toulouse. Dit bouwwerk stond dan nog wel niet op instorten, maar helemaal veilig leek het er niet. Min of meer op goed geluk en wie weet met gevaar voor eigen leven, opende ik na veel geduw en getrek achter in de kerk een deurtje en tot mijn verbazing stonden i neen rond kamertje daar achter twee harmoniums, een kleintje en een grote, allebei in een deerniswekkende staat. Symbolisch voor de situatie was dat op een instrument een grafkrans lag. Aan het herstel van de orgels kan een restaurateur een dankbare klus hebben. Eén harmonium was een kloek Debainorgel, van het kleinere orgeltje kon ik in het halfduister nog net het merk niet lezen: H. Christoph & Etienne. Ik heb in elk geval de voorzitter van Vox Humana van mijn vondst op de hoogte gesteld en ik neem aan dat dit nieuwsfeit wel op een bestemde plek komt.

In het omroepblad Visie schrijft de bekende zanger en tekstdichter Rikkert Zuiderveld wekelijks een gedichtje. Het volgende kwam mij onder ogen:

ORGELEN

Bij ons in huis klinkt soms een blijde galm:
een afgedankt harmonium, dat krakend
en piepend, zomaar ziel- en zaligmakend
zijn oude longen leegblaast in een psalm.

Groot orgelen? Nee. Morgen valt het stil.
Wat blijft: de wind, die waait waarheen hij wil.

Ook dit harmonium is blijkbaar toe aan restauratie. Voor een vakman is een longoperatie een fluitje (2-voet) van een cent.

De man beneden mij…

SchNoJ.W. Schulte Nordholt

Toen ik het schrijven nog combineerde met uitgeven heb ik honderden boeken gepubliceerd, en elke publicatie was een avontuur met het manuscript (correcties, lay out, omslag, productie, verkoop) en de ontmoeting met de schrijver. Een van de dierbaarste contacten was met de dichter Jan Willem Schulte Nordholt (1920-1994). Ik was uit de voortdurende nieuwsgierigheid naar wat er zich tijdens de Tweede wereldoorlog afspeelde, bekend met zijn oorlogsverleden. In1942 was hij opgepakt wegens het verspreiden van Vrij Nederland . Hij werd gevangen gezet in de strafgevangenis in Scheveningen, in de volksmond ’het Oranjehotel’ genoemd. Hij overleefde de oorlog. In tegenstelling tot anderen in de groep psalmberijmers waartoe hij ging behoren, zoals Guillaume van der Graft en Ad den Besten, die beiden min of meer vrijwillig in Duitsland waren gaan werken, in het kader van de zogenaamde Arbeitseinsatz, wist Schulte Nordholt wat het betekende in het verzet te gaan tegen een dictatoriale overheid. In zijn gedichten zijn sporen aan te wijzen van de oorlog, maar ze voedden merkwaardig genoeg vooral het heimwee naar een ongebroken wereld. Sterker gezegd: de dichter kan optimistisch zijn over de kracht van de taal die eenzaamheid en rampspoed kan weerstaan.


Ik was in de gelegenheid een paar bundels van hem uit te even en in 1989 zijn door hem samengestelde Verzamelde gedichten die ik als pocket herdrukte 1996, met aanvullingen. Ook mocht ik hem begeleiden als hij ergens in den lande uit zijn poëzie voorlas, helder en toch een beetje schor, persoonlijk en indrukwekkend. Dat hij ook een bekend historicus was die over de recente geschiedenis van de Verenigde Staten publiceerde, boeide mij minder. Ik ben nu eenmaal door poëzie en literatuur besmet.
Een van zijn oudere gedichten (uit 1950) is het onderstaande ‘harmoniumsonnet’:

De man beneden mij speelt elke avond
steeds op dezelfde tijd hetzelfde lied,
op een harmonium, langzaam en lavend
dringen de tonen tot mij door en niet
dan lang nadat hij ophoudt, kan ik weer
beginnen met het eigen werk en dromen.
Ik neurie zachtjes mee: Blijf bij mij Heer,
de avond daalt waaraan wij niet ontkomen.

Soms ziet men op een heel oud schilderij
een engel aan een orgel zitten spelen,
verbeelding van een zuivre kindergeest.

Als dat eens waar was, dat wij tot uw feest
opstonden en met warm ontroerde kelen
zongen: o Heer, wat waart Gij ons nabij!

 

Naar orgelles gaan


Mijn moeder speelde thuis op het orgel en ik ging wekelijks naar orgelles bij Bep Geevers op het Noordeinde in Delft. Daar stonden twee orgels: één mèt en één zonder pedaal. Ik ging graag naar les, ook al omdat de leskamer zich boven de winkel van bakkerij Van der Horst bevond. Ik was verliefd op de dochter van de bakker. Het was een verliefdheid op afstand, want het meisje was er niet van op de hoogte. Heimelijk hoopte ik dat zij mijn orgelspel kon horen en daarna nieuwsgierig onderaan de trap de twaalfjarige organist in bewondering zou opwachten.

kerkorgel

Wim Hazeu, 17 jaar, achter orgel Waalse Kerk te Delft

Mijn moeder speelde dus niet op het harmonium en ik ging niet naar harmoniumles. Dat besef drong onlangs tot mijn door toen ik op zoek was gegaan naar gedichten over het harmonium bij dichters als Willem de Merode, Guillaume van der Graft en Jaap Zijlstra. Ik zal voortaan dus ook op jacht gaan naar orgelgedichten.

Dat neemt niet weg dat ik onlangs een gedicht met het woord harmonium ben tegengekomen. Het staat in Bijgeluiden , de debuutbundel van Henk Ester (Arbeiderspers, 2013). Het is nota bene getiteld: Harmonium en ik mag het met toestemming van de Utrechtse dichter geheel citeren:

vingeroefening bij opkomend tij

nietsvermoedend, onwetend, vol overgave
zingt in klankgerochel van de zuigwind
het harmonium een loflied op de solipsist

een lyrisch dwalen in voortalige
eentonigheid

of is het een angstig zoeken naar lucht
een gulzig pompen van gemankeerde
tongen, snikkende tonen van tekort

vingeroefening bij opkomend tij

hoe kunstmatig moet het gerochel
binnen zijn, om de straat
daarbuiten niet te vergeten

het kamerorgel, van zijn kant
kent geen vrees, rochelt en
jankt alles op de zuigwind

Ik vind het een klankkleurig gedicht en vraag me af of een drukwindharmonium een dichter ook zou kunnen inspireren. Geïnspireerd was organist en componist Klaas Hoek in elk geval afgelopen zomer wel. Hij gaf op 25 juni in de Der Aa-kerk in Groningen een concert op basis van dit en negen andere gedichten uit Bijgeluiden. Ze werden door de dichter zelf bij het harmonium voorgelezen. Het concert werd uitgevoerd op een Mannborg Still 45-harmonium uit 1911. Hoe literatuur en orgelkunst, ik bedoel: harmoniumkunst, elkaar kunnen vinden!

Save

Save

Save

Save