Boekenpost

BOEKENDORP IN FRANKRIJK

Mag een columnist een toeristische gids zijn en mag hij zijn polemische taak verwaarlozen? Volgens de geslepen Hugo Brandt Corstius (1935-2014), mag een columnist alles, óók liegen. Hij zei dat tegen mij, toen ik hem verweet dat hij Henri Knap een heel fout oorlogsverleden had aangemeten in een column in Vrij Nederland. Piet Grijs, zijn pseudoniem, schreef dat na het uitkomen van Knaps Boekenweekgeschenk De ronde van ’43, het verhaal over een jonge huisvader die op een dag een joods meisje probeerde te laten onderduiken. Ik wist van de schrijver dat het een autobiografisch verhaal was; het boekje is mede door de column van Piet Grijs tekort gedaan. Om maar te zwijgen van Knap zelf, die zo geschokt was, dat zijn gezondheid er zwaar onder is gaan lijden. Hoewel een vriend het in Het Parool voor hem opnam, herstelde Knap niet van de aanval van Grijs. Zo bont als Grijs zal ik het niet maken, maar als een columnist die alles mag, wil ik nu onverbloemde toeristische boekeninformatie verschaffen.

Het afgelopen najaar bezocht ik het boekendorp: Montolieu. Het village du livre ligt tussen Toulouse en Norbonne, ten noorden van Carcassonne. Ik trok in de streek van de Katharen met Thera Coppens een weekje rond, zij vanwege een nieuw boek dat zich in de Middeleeuwen afspeelt, ik vanwege het feit dat Lucebert in 1963 een half jaar in het nabijgelegen Lagrasser woonde. Lucebert, het onderwerp van mijn volgende biografie, was op zoek naar een verblijfplaats (met atelier),die ver van zijn vaste woonplaats Bergen lag. Hij wilde ongestoord kunnen werken, zonder de onaangekondigde bezoeken waarvan hij in Bergen last had. Het bijna uitgestorven middeleeuwse dorp Lagrasse leek hem wel wat.

Na Lagrasse bezochten wij het eveneens middeleeuwse dorp Montolieu, waarvan de huizen gegroepeerd staan om de zeer grote Saint André-kerk. In meestal oude panden zijn zestien antiquariaten gevestigd. Ze zijn het hele jaar geopend, ongeacht de weersgesteldheid. Om ons te behoeden voor al te gekke aankopen, bezochten wij eerst de kerk om te bidden om kalmte en beheersing. Het interieur werkte echter niet mee, want tussen levensgrote beelden van heiligen bevond zich St. Jean met een boek in een uitnodigende hand. Het resultaat laat zich voorspellen, ook omdat we ons op de Place de la Liberté moed hadden ingedronken in het restaurantje Casquette et Chapeau. De wijnen uit de streken Corbière en Minervois (van het Chateau Tour Boisée!) zijn niet te versmaden.

In vijf uur bezochten we negen van de zestien antiquariaten (de rest komt ‘een volgende keer’). Ze waren deskundig, dus overzichtelijk en thematisch ingericht, en werden bevolkt door een paar andere boekengekken die geholpen werden door deskundig personeel, in leeftijd variërend van 25 tot 60 jaar. De boekenoogst was voor Thera een stapels boeken over Katharen en over de dertiende eeuw. Voor mij was er over Lucebert niets te vinden, maar toch wogen mijn tassen zwaar met werken van Tomi Ungerer (één boek had ik zelfs in het Ungerer museum in zijn geboorteplaats Straatsburg niet gezien) en albums van de in Parijs vermoorde Wolinski.

boekendorp

Toeristisch gezien ligt Montolieu prachtig tussen de riviertjes l’Alzeau en La Dure, in een streek met ongekende panorama’s, zoals van de Pyreneeën; met een papiermolen in Brousses-et-Villant en met kastelen, kerken en abdijen te kust en te keur. Als wij alles van tevoren geweten hadden, dan hadden wij een chambre d’hôte (er zijn er tien) in het boekendorp genomen om er langer te kunnen speuren naar boeken, albums en documenten, en om te kunnen dineren in het restaurant Apostrophe. Deze kennis geef ik nu maar door aan de lezers: www.montolieu-livre.fr; www.tourisme-cabardes.fr. Er is ook een camping: This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it..

Op het vliegveld van Toulouse werden onze koffers gewogen.: Het was kantje boord. We waren vier kilo rijker aan boeken geworden.

 

MET DE PEN OP PAPIER

Het duurde tot ver na de tweede wereldoorlog alvorens in ons taalgebied het schrijven en publiceren van biografieën op gang kwam. In Frankrijk, Duitsland of Engeland was het al eeuwen de gewoonste zaak van de wereld dat over beroemde kunstenaars of politici levensverhalen verschenen. Er is mij bijvoorbeeld verteld dat over het leven en werk van Napoleon wel tienduizend boeken bestaan. In Nederland kun je als voorlopers van een nu gestaag groeiende reeks biografieën, Wam de Moor en Hans Werkman beschouwen. De eerste schreef de tweedelige biografie van de merkwaardige en daarom interessante prozaïst J.C. van Oudshoorn (1968-1974), de tweede die van de kwetsbare dichter Willem de Mérode (1971).

Zelf debuteerde ik veel later met de biografie van Gerrit Achterberg, de dichter van duizend gedichten die nog steeds gelezen en geprezen worden. Dat was in november 1988, tien jaar nadat zijn weduwe Cathrien mij toestemming gaf om uit alle bronnen te citeren, ondanks het feit “dat Gerrit dit niet had gewild”. Voorwaarde was dat de biografie niet eerder dan na tien jaar zou verschijnen. Ik vermoed dat Cathrien toen dacht dat zij dan inmiddels wel zou zijn overleden, hetgeen niet het geval was. Toen moest ik aan een andere verplichting voldoen, namelijk haar het manuscript ter lezing aanbieden. Onthutsend voor mij was te constateren dat zij bijna uitsluitend op zoek was naar passages in het boek die over haar verleden in de oorlog gingen. Zij haalde opgelucht adem toen zij las hoe cryptisch ik die tijd beschreven had. Zij had verwacht dat ik “álles”openbaar zou hebben gemaakt, op het sensationele af.

Als weerwoord had zij met een vriendin al een brief voor de pers klaarliggen, waarin zij uitlegde dat verliefdheid niet altijd te sturen was. Hoe cryptisch ik was, grenzend aan zelfcensuur, kan men in de eerste twee drukken op bladzijden 417 en 418 nalezen. Na Cathriens dood heb ik het cryptische opgeheven in een noot die afgedrukt staat op bladzijde 727 en 728. De man aan wie Cathrien haar liefde had verklaard was een Nederlandse SS-er. Ook had zij voor de Winterhulp gecollecteerd. Ik wil er maar mee zeggen dat herziene herdrukken interessant kunnen zijn. Op 9 mei 2002 schreef Boudewijn Büch aan een vriend dat het zelden gebeurde dat hij van een non-fictie boek, nadat hij de eerste druk had gekocht, zich later nog een nieuwere druk aanschafte. ‘Ik kocht van de Achterbergbiografie de “vierde uitgebreide druk, mei 2001”. Achterop deze druk staat dat ik in 1988 over de eerste druk schreef dat het “een feitenbiografie van zeldzame klasse is.” En dat klopt. Ik vind het veertien jaar later nog steeds. Wat zeg ik, het boek werd anno 2001 met die vierde druk nóg beter! En dat komt door enkele regels die Hazeu op bladzijde 727-728 als “appendix bij de vierde druk” toevoegde.’

Een echte verzamelaar wil van de boeken van de schrijver naar zijn keuze alle drukken hebben. Een voorbeeld is Hans Matla, de man die alles op alles zet om van stripboeken elke druk in het bezit te krijgen voor zijn onvolprezen striparchief. En een echte biograaf wil van “zijn” schrijver alle eerste drukken bezitten, voeg ik eraan toe. Het heeft mij in het geval van Achterberg een vermogen van vele duizenden guldens gekost om dat doel te bereiken. Daar was een aantal gesigneerde en genummerde exemplaren bij. Dan weet je als biograaf dat de schrijver jouw aangeschaft exemplaar echt in handen heeft gehad. Dat geeft magie aan je werk, na een eerste hopelijk kortstondige bedwelming van genot. Kortstondig, want snel moet je zo nuchter en gedisciplineerd mogelijk weer aan het werk gaan. Die magie en bedwelming zouden zonder onze antiquaren niet mogelijk zijn geweest. Waar vind je anders die eerste drukken?

IMG 1040

Voor elke biografie ruim ik plaats in voor eerste drukken van mijn onderwerp. Met Achterberg (een halve plank) en Slauerhoff (een hele plank) viel dat wel mee. Met Vestdijk moest ik tien meter boekenplank weten te vinden. Achter de eerste drukken van Marten Toonder en van zijn Studio ben ik niet aan gegaan. Met enkele tienduizenden guldens ben je er nog niet. Gelukkig kon ik gebruik maken van het archief van mijn al genoemde vriend Hans Matla. Nu schrijf ik de Lucebertbiografie. Ik hoop niet dat voor de eerste drukken de prijzen nu omhoog schieten.

 

BOEKEN OP VLIELAND

Een van de belangrijkste boekenverzamelaars die ik ken is Theo Sontrop. Deze ex- redacteur van Propria Cures en Maatstaf, en voormalige fondsredacteur en uitgever van J.M. Meulenhoff en De Arbeiderspers (onder andere verantwoordelijk voor de series Privé Domein en Open Domein), deze zuinige dichter – zijn verzameld werk omvat nog geen veertig gedichten – laat niet na om wekelijks zijn boekenbezit aan te vullen. In zijn woning aan de Dorpsstraat op Vlieland is letterlijk elk vertrek thematisch en systematisch gevuld met vooral literaire boeken en kunstboeken, in diverse talen, in de prachtigste uitvoeringen. Aan de wanden hangen ook nog de mooiste tekeningen en prenten, bijvoorbeeld van Peter Vos en Alain Teister. Zo nu en dan moet er plaats worden gemaakt en verdwijnt een deel van de collectie naar het antiquariaat. Ik heb nog de verleidelijke catalogus 17 van Hinderickx & Winderickx (november 1998) met de titel: ex bibliotheca Th. A. Sontrop.

Schuin tegenover Sontrop staat het huis waar de dichter Slauerhoff vaak bij familie verbleef. Een plaquette met een beeltenis van Slauerhoff vertelt over dit feit. Naast dit huis, en recht tegenover Sontrop, woont Ton Pronker, een achterneef van Slauerhoff en een voormalige zeezeiler. In de jaren tachtig voer hij met zijn schip in drie jaar tijd de wereld rond. Onlangs voltooide hij de uitgave van het verhaal van die reis. Schrik niet: ruim 4000 bladzijden druk, verspreid over vijf gebonden delen, met 7000 illustraties. Voorlopig gedrukt in een voorziene oplage van ik meen acht exemplaren. Het zijn minutieus vertelde verhalen over de zeiltocht, en over de tochten die Pronker ondernam in steden en hun achterland. Zo bezocht hij de graven van Paul Gauguin en Jacques Brel die wonderlijk genoeg bijna naast elkaar lagen op het eiland Atuona. Ook Ton Pronker heeft een gigantische bibliotheek. Zijn specialiteiten zijn zeevaart, scheepsbouw, en ontdekkingsreizen.

Nog niet zo lang geleden mocht ik, bij hoge uitzondering, een groep bibliothecarissen tijdens een Slauerhoffexcursie, in contact brengen met Sontrop en Pronker en hun bibliotheken. Ze hebben hun ogen uitgekeken en konden hun oren niet geloven. Beide heren zijn de tachtig gepasseerd en werken nog elke dag. Theo aan het lezen en vergaren en uitdragen van kennis, Ton aan een volgend groot project: zijn memoires. Spreken doen de overbuurmannen nauwelijks met elkaar. Zij stoppen krantenknipsels in elkaars brievenbus, om elkaar maar niet te storen. Of een vers. Dat laatste gebeurde bij de jaarwisseling 2010-2011. Theo Sontrop schreef:

Et in Arcadia ego
Op Vlieland komen wonen
om van Slauerhoff te worden
wat men overbuurman noemt.
Hij ziet mij aan in brons
want hij is zéér beroemd.
Maar ik, godlof, heb writers block
Ik bof.

Ton Pronker antwoordde met:

In memoriam publicus
Uitgevers; ik verkoos hen te mijden,
ze haalden het bloed onder mijn nagels vandaan.
En nu, zeventig jaar na mijn verscheiden
Kijk ik, godbeter, nog weer tegen zo een aan.
Dat ik nu op hem neerkijk,
slechts in het koude brons gegoten,
ver weg van het warme aardrijk,
heeft mij steeds meer verdroten.
J. Slauerhoff, in statu mortalis

Elk jaar ga ik in de winter en het voorjaar met Thera naar Vlieland, vanwege de duinen en de stranden, vanwege museum Tromp’s Huys, maar vooral om weer even ondergedompeld te worden in twee bibliotheken en in de verhalen over hun boeken door Theo en Ton. De laatste keer vertrouwde Theo Sontrop mij toe dat hij het afgelopen jaar alweer drie regels van een gedicht had geschreven. Op naar de volgende bundel…
(geplaatst in Boekenpost febr.2014)

 

VROEGER WAS ALLES BETER….

Een student komt in mijn woonplaats de goed gesorteerde boekhandel binnen. Ik ben getuige van zijn enthousiasme. Tegen een winkelbediende zegt hij: ‘Ik ga Frans studeren en wil de komende vakantie Franstalige romans lezen. Wat kunt u mij aanbevelen?’ De verkoopster is verbouwereerd. Aan een aanbeveling komt zij niet toe, want zij moet de jongeman vertellen dat in haar winkel geen Franstalige boeken worden verkocht.

Dit voorval doet mij denken aan het eerste verhaal uit de recente bundel Vroeger was alles beter, behalve de tandarts van Jean Pierre Rawie. Jean Pierre herinnert zich uit zijn studententijd in Groningen nog de term ‘academische boekhandel’ en schrijft:
“Winkels als Scholtens waren ruim gesorteerd, en hadden respectabele afdelingen vreemde talen: Spaanse, Italiaanse en Russische literatuur (al werd de laatste beheerst door wat het toenmalige regime vond dat door de beugel kon) had men in voorraad. Frans en Duits namen verscheidene wanden in beslag.” Ook ik herinner mij zo’n boekhandel: Academia in mijn geboorteplaats Delft waar ik, aangestoken door de inspiratiebronnen van de dichters Lucebert en Hans Andreus, de helden van mijn jeugd, met plezier kon grasduinen in stapels Franse, Duitse en Amerikaanse dichtbundels. Met mijn door zondagse kerkorgelspel verdiende centen kocht ik oorspronkelijke werken van Hölderlin, Antonin Artaud, E.E. Cummings en van de in het Duits vertaalde Rus Majakovski. Dat waren nog eens tijden! Staat niemand (bijvoorbeeld een onderwijsminister) eens stil welke teloorgang wij in Nederland cultureel en taalkundig de afgelopen decennia hebben meegemaakt?

Terug naar onze inmiddels zeer verbaasde student. Hij vraagt aan de winkelbediende: “Kunt u me dan verwijzen naar een winkel in de buurt waar ik wél Franse romans kan kopen?” De verkoopster kijkt om zich heen, roept er een collega bij, en nog een collega. Gedrieën schudden zij van nee, “zeker niet in de directe omgeving”. Teleurgesteld verlaat de jongeman de winkel. Dit voorval brengt mij diezelfde dag - 22 januari 2014 - bij een beschouwing in het dagblad Trouw over het tekort aan leraren Duits. Daardoor komt dit vak op de middelbare school in de knel. In een tijd dat het vak nota bene in de lift zit. De noodzakelijke samenwerking met de Duitse economie speelt daarbij in crisistijd een rol; wie Duits spreekt heeft meer kans op een baan. Bovendien is Berlijn is hip geworden; steeds meer leerlingen gaan op vakantie naar Duitsland. En eindelijk lijken we bij de huidige generatie scholieren verlost te zijn van anti-Duitse sentimenten.

Om het tekort aan leraren Duits aan te vullen wordt er nu gedacht om docenten Duits uit Duitsland te halen, die Nederlandse leerlingen op hun bekende beschaafde en enthousiaste manier warm kunnen maken voor het Duits en de Duitse cultuur. Momenteel verlaten in ons land leerlingen de middelbare school zonder iets van Goethe te hebben gelezen of zonder iets over hem te hebben gehoord. Ik vind dat ongehoord. Alsof culturele onwetendheid uiteindelijk niet leidt tot domheid en achterstand, tot minder zelfstandig denken en creëren, tot onmondige burgers. Maar als we dan de situatie bereiken dat er meer mondige leerlingen zijn, waar halen zij dan de vreemdtalige boeken vandaan? Natuurlijk, internet is een mogelijkheid, maar eerst snuffelen in boekenkasten, alvorens een keuze voor een schrijver en een roman te maken, is persoonlijker en spannender. Waar kun je dan terecht? Natuurlijk, bij het antiquariaat. En ik zou de bedienden in de gewone boekhandels willen vragen, voortaan daarnaar te verwijzen. In de omgeving van de nieuwsgierige student uit mijn verhaal, dat wil zeggen in Hilversum, Amersfoort, Breukelen en Utrecht, ken ik zo vijf antiquariaten die over kasten vol buitenlandse literatuur beschikken. En wie tijdens een vakantietripje Antwerpen aandoet, kan natuurlijk aan het Conscienceplein antiquariaat Demian bezoeken die een ongekende collectie Duitstalige romans en dichtbundels heeft. Dat kan natuurlijk ook niet anders, want Demian is genoemd naar de gelijknamige roman van de Duitse dichter en schrijver Hermann Hesse.

 

SLAUERHOFF NOG NIET HELEMAAL GERED

Elke maandagmorgen stommelde ik een kwartaal lang de hoge steile trap op in de Amsterdamse Spinozastraat achter het station Muiderpoort. Boven wachtte de oude tekstbewerker en archivaris Kees Lekkerkerker op mij. Hij was voor de oorlog nog betrokken bij de ronduit slordige samenstelling van de Verzamelde Werken van de grote dichter en schrijver Slauerhoff. Ik bezocht hem omdat hij op zijn kleine, brandgevaarlijke zolder, tussen de vuilniszakken gevuld met de archieven van diverse dichters, een scheepskist had staan met gedichten, brieven en andere documenten van Slauerhoff. Volgens de jongste zus van de jong gestorven dichter-scheepsarts die ik “tante Guus” mocht noemen, had Lekkerkerker geen recht op deze kist. Voor mij kon het geen punt van discussie. Ik was de toekomstige biograaf van Slauerhoff, en ik zou en moest alles uit de kist bestuderen. Sterker nog, als mij die mogelijkheid niet zou worden geboden, zou ik ondanks enkele jaren studie, de biografie niet schrijven. Kortom, ik zat klem. De afspraak was dat ik als “kijkgeld” vijftig gulden per maandag aan Lekkerkerker zou betalen. Gelukkig had ik eerder zo’n financiële afspraak niet hoeven te maken, en nadien is dat mij bespaard gebleven..

En zo las ik de honderden brieven van Slauerhoff aan vrienden, vriendinnen, schrijvers en familieleden. Ik maakte aantekeningen, schreef brieven over, totdat de schrijfpols oververmoeid raakte. Van Lekkerkerker, die netjes zorgde voor koffie, thee en koekjes, mocht ik niet, ook niet in zijn bijzijn, geen brief in een postkantoor of een Brunavestiging in de buurt kopiëren. Ik heb er, met onderdrukte tegenzin mee leren leven. Het resultaat van het onderzoek is te lezen in mijn Slauerhoffbiografie.

Slauerhoffkimono
Het was in het jaar 1993 dat ik de wekelijkse treinreis van Baarn naar Amsterdam Muiderpoort maakte. Twintig jaar later maakte de directeur van het Letterkundig Museum een afspraak met mij. Hem was door een antiquariaat de Slauerhoffnalatenschap van de inmiddels overleden Kees Lekkerkerker aangeboden. Er was al een financiële schatting gemaakt door een deskundige. Het geschatte en gevraagde bedrag kon bij lange na niet door het museum worden opgebracht na de financiële kaalslag die de politiek kort tevoren had uitgedeeld. De vraag was of ik een rapport wilde schrijven, Het zou het bestuur van instanties als het Mondriaanfonds moeten overtuigen van het belang van de nalatenschap voor het Letterkundig Museum en dus voor een ieder die het werk van Slauerhoff wil bestuderen. Het rapport van de schrijver van de Slauerhoffbiografie, een boek dat bovendien bekroond was met de prestigieuze Biografieprijs, kon indruk maken.

Ik kende de inhoud van de scheepskist als geen ander. Dat die tot het literair erfgoed behoorde, daarover had ik geen twijfel. Dat deze nalatenschap beter niet gefragmenteerd en versnipperd op de markt zou moeten komen, stond voor mij ook vast.
Ik wilde weten wie zich met de afwikkeling bemoeiden. De aanbieder was antiquariaat Fokus Holthuis, die blijkbaar van Lekkerkerker het rijke archief had overgenomen. De expert die het financiële rapport haf geschreven, was antiquaar André Swertz. Zijn deskundigheid was uit meerdere taxaties gebleken. Vervolgens schreef ik mijn rapport. De taxatie van Swertz was redelijk, het streven om de collectie bij elkaar te houden door antiquariaat Fokus Holthuis prijzenswaardig.

Het resultaat is bekend: de fondsen verschaften geld aan het Letterkundig Museum, en de directeur mocht de aankoop in het televisieprogramma De wereld “draaft” door met trots vermelden. Het bedrag was een veelvoud van bedrag van vijf cijfers. Slauerhoff mocht het als honorarium voor zijn dichtbundels bij lange na niet ontvangen. Nu is het wachten op een bekwame tekstbezorger die eindelijk, bijna tachtig jaar na Slauerhoffs dood, voor een zorgvuldige, wetenschappelijke bundel Verzamelde Gedichten zorgdraagt, in plaats van de prul van Du Perron en Lekkerkerker, waarmee we al decennia van doen hebben.

 

MIJN HELD BOLKE DE BEER

Mijn vriendschap met de televisieproducent Loek de Levita (1930-2004) leidde in 1976 tot de serie De avonturen van Bolke de Beer, naar de gelijknamige boeken van A.D. Hildebrand (1907-1977). De serie was gemaakt volgens het procedé van de Fabeltjeskrant. Met de uitzendingen bij de NCRV kwam een grote wens van mij in vervulling, namelijk nieuwe generaties te laten kennismaken met de held van mijn kinderjaren: Bolke de Beer. Ik hoor mijn vader Bolke’s avonturen nog voorlezen en ik heb voor mijn zoons hetzelfde gedaan. Roald Dahl, Astrid Lindgren, Annie M.G. Schmidt, het zullen allemaal wel schrijvers zijn die op een hoger literair plan staan, maar ze nemen mij Bolke en zijn vriend Dorus Das niet af.

bolke

Ik was nog maar net bij de televisie vertrokken en werkte als uitgever bij Elsevier (1978-1981) in Amsterdam, of er werd door de receptie een bezoekster aangekondigd. Nu had ik al kennis gemaakt met Jan de Hartog en Gerard Reve, niet de saaiste schrijvers in ons taalgebied, maar de bezoekster de dame bracht mij echt in een opgewonden toestand: zij heette Hildebrand. Ik rende door ons gebouw, dat de Apenrots aan de Amstel werd genoemd, naar de receptie en zag daar een vrouw van wat oudere leeftijd staan, gekapt en verzorgd als een Brusselse dame. Snel kwam zij ter zake: haar man was nog niet zo lang geleden overleden en zij wilde dat zijn boeken niet in de vergetelheid zouden geraken.

Ik had gezorgd voor die t.v.-serie en was daarom uit her goede hout gesneden En was ik nu niet verantwoordelijk voor de kinderboekenuitgeverij Van Goor waar vroeger Belfloor en Bonnevu en Wolle Wasbeer waren gepubliceerd. Dus kon ik wel zorgen voor herdrukken en voor verkoop in het buitenland. En zij zegde mij toe dat de boeken die bij H. Meulenhoff waren verschenen – niet te verwarren met de literaire uitgeverij J.M. Meulenhoff - bij mij konden worden ondergebracht. Als een weduwe zich zo inzet voor de boeken van haar man, ontroert mij dat. Omdat het hier ging om de schrijver die mij in mijn kinderjaren een held had gegeven, had ik die stimulerende emotie niet nodig.

Ik ging blijkbaar in de ogen van mevrouw Hildebrand voortvarend te werk, want enige tijd later kwam zij weer langs met de mededeling dat ik in haar testament persoonlijk benoemd was tot eigenaar van alle auteursrechten van A.D. Hildebrand. Ik sputterde nog tegen, dat zoon Tonio Hildebrand toch de eerste was die in aanmerking kwam voor deze erfenis. Geen sprake van, zei mevrouw Hildebrand, mijn man heeft hem vanwege zijn buitensporig gedrag, onterfd. Ik liet het hierbij en weken later kreeg ik de notariële bescheiden en… eerste drukken van Hildebrands boeken, die nu bij mij in drie bananendozen op zolder staan.

De tijd verstrijkt, de weduwe is overleden. Ik heb toestemmingen voor herdrukken van de Bolke de Beerserie gegeven en een paar historische jeugdromans zelf herdrukt (bij uitgeverij de Fontein), maar erg actief ben ik nu als full timeschrijver niet meer op het gebied van uitgeven. Wèl koester ik de eerste drukken van de (168) boeken van Hildebrand. Er zijn er bij die geïllustreerd zijn door Marten Toonder (Monus de man van de maan), Georges Mazure (Brik Bruuns, avonturier), G. van Raemdonck (Nieuwe avonturen van Belfloor en Bonnevu) en Bob Uschi (Hilversum riep de reiger. Geschreven samen met A. Viruly). Wat moet er nu met deze goudberg gebeuren? Ik denk eraan om hem te schenken aan de StOK (Stichting ‘Oude kinderboek) dat dit jaar verhuisd is van Zutphen naar de bibliotheek Deventer (This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it..)

Dit unieke ‘kinderboekenleenmuseum’ – met o.a. Jan Terlouw mag ik in het comité van aanbeveling zitten - bevat ruim 20.000 kinder- en jeugdboeken van 1880 tot 1990. Daaronder, het moet gezegd, ook veel titels van Hildebrand. De collectie is verkregen door schenkingen en wordt regelmatig aangevuld. Het spreekt vanzelf dat de kostbaarste boeken alleen in Deventer kunnen worden ingezien. Ga dat zien. (geplaatst in september 2014)

 

PEN OF COMPUTER

Hoe wanhopig zal de biograaf in de toekomst zijn, wanneer hij het levensverhaal van de jonge schrijvers en kunstenaars van nu moet beschrijven. Waar zullen dan de documenten zijn, de brieven, waar de dagboeken? Niet alleen van de kunstenaar, maar ook van zijn vrienden en bloedverwanten, want menige biografie kreeg pas kleur door ooggetuigen en andere omstanders.

De nieuwe computer-, facebook-, twitter-, iPhone-, smartphonegeneratie verleert het schrijven, dat wil zeggen: het op een rustige, niet gejaagde wijze neerpennen van gedachten en belevenissen op papier. Alles kan nu snel, alles moet nu snel. Meteen reageren, meteen alles openbaar maken, niets bewaren. Waarom nog de pen ter hand nemen en ’s avonds eens rustig de voor- en tegens in het leven op papier zetten? Waarom een vriend een doorwrochte analyse op briefpapier sturen over zijn of jouw probleem, waarom nog eens gaan denken en schrijven over emoties? Het kan allemaal makkelijker en sneller en omdat e-mailverkeer niet helemaal veilig is houd je bepaalde nuances voor jezelf. Makkelijk en snel en zo kort mogelijk noteren, en het resultaat zo snel mogelijk verzenden. Of er iets wordt onthouden? ‘Who cares’.
Er zijn nog twee handelingen waarbij het hanteren van de pen noodzakelijk is. Het zetten van een juridisch geldende handtekening onder een contract of testament, en het codicil bij een testament. Dat laatste heeft een toelichting nodig.

Een testament wordt op het kantoor van de notaris uitgetypt en al of niet in verkorte vorm, voorgelezen. Daaronder worden de handtekeningen van notaris en cliënt gezet. Maar als de cliënt over roerende goederen nog iets specifieks wil afspreken, dan moet hij dat apart op papier zetten en bij het testament bewaren. Elke andere vorm van vastlegging is juridisch niet geldig! Ik wil bijvoorbeeld mijn gehele W.F.Hermans-boekerij (twee planken) nalaten aan een jonge neef die – terecht - idolaat van Hermans is. In mijn codicil zal ik deze wens uitsluitend met de pen op papier mogen zetten. Daar helpt geen computertje lief aan.

IMG 1034

Terug naar de zwoegende biograaf in de toekomst. Natuurlijk raadpleeg ik regelmatig het internet. Het antwoord op de vraag wat de veiling van een bepaald schilderij van Lucebert – over hem dadelijk meer – heeft opgebracht, kan ik er vinden. Maar ik verdeel mijn tijd die ik achter de computer doorbreng en achter mijn schrijfbureau evenwichtig. Immers: wetenschappelijk is bewezen dat schrijven goed is voor de motoriek en voor de stimulering van de hersenen, terwijl aantoetsen van de computer in alles de luiheid bevordert: luiheid van motoriek, luiheid van hersenen, en dat betekent luiheid van geheugen. Mij wordt vaak tegengeworpen dat het in dit leven voldoende is als je weet hoe je iets op internet kunt vinden. Maar wat als je niet de samenhang weet tussen het ene feit en het andere?

Een voorbeeld: Stel dat je bezig bent met de biografie van Lucebert. Uit de internetgegevens maak je op dat het een dichter-schilder is die leefde van 1924 tot 1994 en dat hij behoorde tot de Cobrabeweging, een experimentele schildersgroep. Dan zoek je onder Cobra en je leest dat de schilders die tot deze groep behoorden, zich lieten inspireren door kindertekeningen en door schilderingen uit Afrika. Het verband met de demonen en maskers in Luceberts werk is daarna snel gelegd. Ik zag het laatstelijk nog in de aankondiging van de Lucebert tentoonstelling in Naarden. Maar… het is helemaal niet waar. Hoe ik dat weet? Omdat ik, als biograaf van Lucebert, teruggegaan ben naar de echte bronnen: documenten en brieven, catalogi en dichtbundels. Over het resultaat van deze zoektocht moet ik de komende maanden nog schrijven. Op dit moment kan ik alleen maar adviseren: laat je niet analfabetiseren door uitsluitend af te gaan op “de nieuwe media” en ben je er al aan verslaafd geraakt, zoek dan genezing bij de geestelijke apotheken: musea, antiquariaten en boekhandels.

Mani2

 

SPEL VAN DE WILDE JACHT

Het dichtst kom je bij een schrijver tijdens het lezen van zijn boeken. Er zijn mensen die nog dichterbij willen komen door de auteur tijdens een voordracht aan te horen en hem misschien na afloop wel een hand te geven. Ik ben zo’n gek en reisde bijvoorbeeld naar Parijs om aldaar een optreden van Arnon Grunberg te bezoeken, met een gezellige borrel na. In zijn boek Le Messie juif schreef de auteur voor mij na afloop: Parijs 26/10/07 Voor Wim Hazeu. Veel goeds. Arnon Grunberg.

Parijs, het staat er, dáár ging het mij om, lijfelijk waren schrijver en lezer op hetzelfde moment in Parijs, in het Institut Néerlandais om precies te zijn, een voor de Nederlandse literatuur zeer belangrijke instelling, die enkele jaren later door de zo veel geprezen minister Timmermans (PvdA) om zeep geholpen werd, in het voetspoor van en feitelijk op verzoek van de even vermaledijde staatssecretaris Zijlstra (VVD). Ik zet de politieke partijen maar achter de namen want als het om kunst en cultuur gaat doet geen enkele partij onder voor de ander.
Maar als de schrijver dood is? En je niet in spiritisme gelooft? Dan is er nog maar één weg te gaan: de antiquarische aankoop van een boek met daarin de handtekening van de schrijver, het liefst met een geschreven opdracht. Dan weet je zeker dat de aangeboden roman of dichtbundel in handen van jouw held is geweest.

Ik ga nog verder: ik wil van mijn favoriete dichter het liefst een bibliofiele, genummerde bundel mét handtekening. Op dit moment zie ik bijvoorbeeld voor mij het beeld van de grote dichter Achterberg (1905-1962). Hij zit achter zijn tafel in zijn kamer op de eerste verdieping van zijn mede door hem ontworpen huis, met uitzicht op enkele berken in een weiland aan het Molenhoekje te Leusden. De woning is, o schande, afgebroken ten behoeve van een weinig zeggende (te) grote bungalow. Op de tafel ligt een stapeltje met al door de uitgever genummerde bundels. Eén voor één slaat Achterberg een bundel open en zet met zijn kroontjespen zijn handtekening. In sommige bundels schrijft hij er de naam van de ontvanger bij: Ed. Hoornik, J.B. Charles, Bert Bakker, Jan Vermeulen of een andere vriend.

Het kan nog intiemer. Ik kocht bij een antiquaar jaren geleden Achterbergs bundel Sintels (die eerst veelzeggender: Balans zou heten). Deze bundel werd in het voorjaar van 1944 (hartje oorlog!) in een beperkte oplaag voor vrienden en bekenden van de auteur en de uitgever (de Bayard Pers) gedrukt. Vijftig exemplaren, genummerd van 1 – 50, verschenen op Boston Tekst en werden door de dichter gesigneerd. Ik kocht no. 37. Niet veel later bezocht ik in Laren de dichter-criticus Gabriël Smit. Uit sympathie voor mijn werk als Achterbergbiograaf gaf hij mij no. 42 van dezelfde bundel.

Voorin had Achterberg geschreven: voor Gabriël van G. Achterberg. herfst 1945. Ik was de koning te rijk. Waar vertoefde Achterberg toen hij de 50 genummerde exemplaren signeerde? Hij bleek, met de nodige risico’s vanuit een tbr-kliniek in een gezinsverpleging geplaats in het Gelderse Neede. Zijn toezichthouders waren een eenvoudig echtpaar, waarvan de man vanwege een fabrieksongeval invalide was en half verlamd in een invalidewagentje zat. Hij kende het dialect van de streek goed, waarmee Achterberg zich amuseerde. Vanuit Neede schreef Achterberg aan zijn mentor en vriend Roel Houwink: ‘Ik ben net verhuisd en ik dank God, als ik dat mag, voor de rust die ik nu gekregen heb.’ In die rust signeerde Achterberg “mijn” twee bundels.

Het leesplezier wordt vergroot als je voor het verkrijgen van een boek een extra inspanning moet doen. En op ‘de wilde jacht’ naar bijzondere exemplaren – ik parafraseer Achterbergs laatste bundel Spel van de wilde jacht – kun je mooie dingen beleven. Ik kocht de eerste druk van de bundel Energie (1946) van Achterberg. Op het schutblad was een ex libris geplakt, met de degelijke tekst: Trouwe Plichtsbetrachting Schept Rustige Eindverwachting. Zo is het maar net, uit plichtsgevoel spoed ik me naar een antiquariaat.

WildeJacht

 

LANG LEVE DE NALATENSCHAP

Antiquaren en biografen kunnen ongekend blij zijn op het moment dat zij toegang krijgen tot de nalatenschap van een schrijver of andere kunstenaar. Onlangs sprak ik een antiquaar uit Brederode die mij toevertrouwde dat hij alleen nog maar nalatenschappen inkocht. ‘Ze zijn uniek en er is grote belangstelling van kopers voor.’

Een biograaf heeft geen commercieel belang, maar hij hoopt evenzeer altijd op een rijke nalatenschap aangaande zijn onderwerp. De biograaf van Jan de Quay, Cees Meijer, prees onlangs deze politicus en ‘koning van Brabant’, dat die het voornemen om al zijn dagboeken in het open haardvuur te gooien, niet had uitgevoerd. Ik was voor mijn biografieën blij dat de drie zoons van de graficus Escher de brieven van hun vader hadden bewaard; dat mevrouw Vestdijk niets van haar man had weggegooid, dus ook niet de brieven die hij schreef aan zijn huisgenote Ans Koster, al beweerde de eerste biograaf van Vestdijk het tegendeel; ik was gelukkig dat de literaire archivaris Kees Lekkerker honderden brieven van Slauerhoff had verzameld en bewaard. Hij liet ze mij bestuderen in zijn Amsterdamse bovenwoning. En ik was blij dat vrienden van Gerrit Achterberg, zoals Ed. Hoornik, Roel Houwink en J.B. Charles, zijn brieven hadden bewaard, ondanks de smeekbede van de dichter ze te vernietigen. Immers, zoals hij altijd onder een brief schreef: ‘wat niet goed is, is niet geschreven.’

De grootste vreugde beleefde ik tot nu toe aan de nalatenschap van Marten Toonder. Door omstandigheden was deze over diverse locaties verdeeld. Na Martens plotselinge verhuizing van Ierland naar het Rosa Spierhuis te Laren, moest de grote Ierse villa van Marten en zijn vrouw worden ontruimd. Na zijn overlijden moesten Toonders kamers in het Rosa Spierhuis eveneens worden leeggemaakt. Bij zijn leven was bepaald dat het archief moest worden ondergebracht in het Letterkundig Museum. Veruit het grootste, Ierse, deel werd voorlopig opgeslagen in een grote, kille loods in een gure industriewijk van Nootdorp, onder de rook van Den Haag.

Toen Toonders oudste kleinzoon mij naar deze locatie riep en vervolgens de rolluik optrok van iets wat op een gigantische vrieskist leek, zag ik een kamergrote ruimte, die tot het plafond mudvol zat met verhuisdozen, bananendozen, kisten, hutkoffers, tassen, schilderijen. Het was een benauwende chaos. Ieder ander zou wellicht de schrik om het hart zijn geslagen, maar ik beschouwde het als een groot voorrecht, dat ik de eerste zou zijn om orde in deze chaos te mogen brengen.

IMG 0738


En ook geluk komt zelden alleen. Want Toonders kleinzoon, een eerzame radioloog, bleek in zijn vrije tijd rugbyspeler te zijn. Hij was zo sterk als een beer. Tegen het gewicht van al die kisten en dozen zag hij niet op. Spontaan bood hij aan elke maand een deel van de inhoud naar mijn bibliotheek te brengen, en dat deel een maand later in te ruilen voor een nieuwe zending. Ik durf te stellen dat een groter geluk mij als biograaf niet eerder ten deel was gevallen.
En zo heb ik in alle rust in mijn eigen omgeving duizenden brieven en andere documenten, waaronder zakagenda’s en manuscripten, correspondenties en reisverslagen kunnen bestuderen. Als tegenprestatie – want zo zie ik dat – heb ik correspondenties geordend van bijvoorbeeld Martens broer Jan Gerhard, en van Martens begaafdste leerling Hans G. Kresse.
Ook in de kelder van het Letterkundig Museum mocht ik, bij hoge uitzondering, als eerste Toonders nalatenschap bestuderen. Ik nam kennis van tekeningen, boeken, fotoalbums, brieven van familieleden en geliefden, en schrok van de intieme aanwezigheid van Martens pantoffels en, het bizarste van alles, van een doos met zijn horloges, waarvan er één nog liep. Dichter kon ik niet bij mijn onderwerp komen. De tijd had niet stilgestaan.

 

TEGEN BETER WETEN IN

In 1964 schreef mijn zo jong gestorven boezemvriend Harry Scholten (1936-1987) in de toen nog belangrijke Haagsche Courant, dat het literaire klimaat in Nederland wel erg bepaald werd door Amsterdamse critici en Hilversumse televisiemedewerkers. Wie als schrijver-in-de-provincie geen toegang had tot die kringen, had het heel moeilijk om in de kolommen van de Haagse Post of Vrij Nederland, of op het scherm van AVRO, VARA en VPRO aan bod te komen. ‘Van schrijvers uit het zuiden of uit een andere sfeer heeft men in die kringen vaak zelfs nog niet eens gehoord,’ aldus Scholten. En voegde hij eraan toe: ‘Nu zou men kunnen beweren dat er buiten Amsterdam eenvoudig niets is. Dat is echter absoluut niet het geval.’ En vervolgens kwam hij met een aantal voorbeelden. Hij noemde de roman De weddenschap van de Antwerpse schrijver Fernand Auwera, ‘het debuut van Elsschot-allure’. En hij vermeldde ‘het kleine maar uitzonderlijke gave oeuvre’ van de Haagse auteur Ida Simons.

Wij zijn nu vijftig jaar verder en wat blijkt? De nog levende Fernand Auwera wordt in Nederland nog steeds genegeerd, maar de in 1960 overleden Ida Simons is eindelijk in Amsterdam ontdekt. Vorig jaar drong de herdruk van haar roman Een dwaze maagd door tot de top-tien van best verkochte literaire boeken. Dat kwam door het inzicht en de daadkracht van uitgeefster Eva Cossee. Zij zag hoe vertalingen van buitenlandse romans van gestorven schrijvers als Sándor Márai en John ‘Stoner’ Williams, zeer goed werden verkocht. Zij moét toen gedacht hebben: dat kan ook lukken met een ‘vergeten’ Nederlandse schrijver.
Het gevolg was dat de prijs van eerste drukken van het schaarse werk van Ida Simons bij antiquaren steeg. Een tweede gevolg kan zijn dat uitgevers op zoek gaan naar met Ida Simons vergelijkbare schrijvers en hun werk. Op hun speurtocht kunnen zij terecht bij die antiquaren die, tegen beter weten in, en met een vasthoudendheid die commercieel nauwelijks verantwoord is, toch romans en dichtbundels ‘op stok’ houden die vooralsnog niet of mondjesmaat verkocht zullen worden.

Ik heb het genoegen en voorrecht om in kelders of op zolders van antiquaren te kunnen snuffelen en ben dan verbaasd en verrast als ik boeken zie van auteurs over wie je al decennia niets hebt gehoord. Soms komen zij even in het nieuws, bijvoorbeeld als er een biografie van hen is verschenen. Die kan de belangstelling voor het werk doen opflakkeren. Dat is het geval met de biografie van Nico Keuning van Jan Arends, een dichter die overigens nooit helemaal weg is geweest. De biografie van de van oorsprong Groningse schrijver Ab Visser door Michiel van Diggelen, kan leiden tot een herdruk van een hoogtepunt uit Visser’s omvangrijke en grillige oeuvre. Als ik nog uitgever was, zou ik het waagstuk durven aangaan met zeker de eerste twee delen van zijn Johan Rutgers-romancyclus: De buurt en De vlag halfstok. Het zijn boeken die vanaf 1953 werden uitgegeven door De Arbeiderspers, met stofomslagen van Wim Bijmoer en banden van H. Salden; niet de minsten in hun vak!

De half-autobiografische verhalen spelen zich af in de Tweede Wereldoorlog en daarna, met de schrijver Johan Rutgers als hoofdpersoon. Wie Ab Visser (1913-1982) heeft gekend zal zich niet verbazen over de combinatie van Chaplineske humor en menselijke tragiek. Later volgden nog bij de gerenommeerde (en verdwenen) uitgever Stols de delen: God in Frankrijk, De valstrik en De hel met negen deuren, maar tot het publiceren van dit drietal zou ik pas besluiten, na het gewenste succes met de eerste twee delen.

devlaghalfstok
Zolang de herdrukken niet zijn verschenen, zullen lezers zich naar antiquariaten moeten spoeden, waar zij wellicht nieuwsgierige uitgevers op hun pad vinden. Niet alleen naar Ab Visser die maar tot voorbeeld diende.

 

VERZAMELEN!

Ik mocht weer een dag in antiquariaat Hinderickx & Winderickx werken. Al vroeg kwam er een man de winkel binnen met de mededeling dat hij ontdekt had dat lezen een mooie manier van leven was. Hij was bezig aan een inhaalslag en vroeg mij wat hij van de Duitse dichter Rilke het beste zou kunnen lezen. Ik noemde Die Duineser Elegien, een uitgave die Lucebert altijd op zak had. Ook van hem mocht ik een bundel inpakken. Een staaltje van literaire koppelverkoop! Na dit succesvolle begin vroeg een oudere man of ik een boekomslag had van vóór de Tweede Wereldoorlog. ‘Ja,’ zei hij, ‘ik verzamel oude boekomslagen.’ ‘Dat zal niet meevallen, de meeste zullen verkruimeld of verdwenen zijn.’ ‘Precies, daarom spaar ik ze ook. Moet ik lang zoeken… ’ Ik kon hem niet helpen, maar het zette mij wel aan het denken over antiquariaten en verzamelaars.

Zo verzamelt een vriend Nieuwjaarsgeschenken van uitgevers. Hij heeft met de hulp van antiquaren inmiddels een gigantische collectie opgebouwd die volgens mij in het museum van het boek: Meermanno in Den Haag, niet zou misstaan. En ik bedacht dat ik wel eens brochures en folders van verdwenen uitgeverijen zou kunnen gaan sparen. Een cultuur-historisch-literaire taak! Ik kwam op die gedachte omdat ik in een oud boek een folder had gevonden van de Boekenwagen-serie 1950: ‘vier voortreffelijke, boeiende romans, uitgegeven op houtvrij papier, in geheel linnen band’ tegen de speciale ledenprijs van f 4,25 per deel. Uitgever was Winants te Heerlen. Van het een kwam het ander, nieuwsgierigheid voerde bij mij voor enkele momenten de boventoon. De uitgeverij was gevestigd in boekhandel Winants, waar de in België voor collaboratie veroordeelde Vlaamse en naar Nederland gevluchte dichter Wies Moens in 1950 de winkelchef was. Misschien was hij wel de uitgever van de vier romans, waaronder Volk van bazalt door Dignate Robbertz, schuilnaam van Johanna Verstraate die gehuwd was met de NSB-oorlogsburgemeester van Veere, de dichter Martien Beversluis. Onbekender voor mij was een ander deel in de Boekenwagen-serie: Bernard Bekmans Kapitein der Bokkerijders. De Rotterdamse uitgever Ad Donker publiceerde in 1982 een vierde druk. Van de Brabantse schrijver A.M van der Rijken, was de roman Dingeman Hoeks in de serie opgenomen. Het boek behoort tot de Brabantse folklore, zeker in Waspik, de woonplaats van in 1983 overleden schrijver. Wat het bestuderen van maar één foldertje teweeg kan brengen, laat staan als ik er honderd heb..

Messel
Terug naar de echte verzamelaars. In 1966 zocht de historicus Jaap Meijer, schrijver van onder andere de biografie van Jacob Israel de Haan, mij op. Hij had, zo vertelde hij, het poëzielicht gezien en had de naam Saul van Messel aangenomen. Hij benoemde mij tot zijn secretaris en stuurde mij bijna dagelijks briefkaarten met korte versjes die hij “Van Messeltjes” noemde. Om mij te paaien schreef hij: boezemvrienden / twijfel/ aan jou/ heb ik nooit/getwijfeld. Nu liet ik mij graag veroveren, want Jaap, de vader van Ischa Meijer, kon mij met zijn spitsvondige gedachten, zijn associatief vermogen en zijn polemische instelling inspireren. Hij las gedichten in mijn radioprogramma Literama voor, en trad toe tot het bibliofiele circuit met priapische poëzie in Strelen om de stam (66 exemplaren) en Bruid waar blijft je mond (74 exemplaren), uitgegeven door de Tuinwijkpers te Haarlem. Zijn poëtische productie grensde aan het ongelooflijke. Hoewel ik Nijgh & Van Ditmar tot het uitgeven van zijn gedichten had verleid, bleef er nog heel veel ongepubliceerd. Ten einde raad schreef ik Ad den Besten, redacteur van het tijdschrift Wending en van de serie dichtbundels e Windroos. Ad was nog niet op de hoogte van wie zich achter het pseudoniem Saul van Messel verborg, en noemde de dichter ‘een interessante knaap’. Maar Jaap/Saul wist inmiddels wel van het bestaan van de Windroosserie af, die toen tachtig deeltjes omvatte. Hij sloeg aan het verzamelen, reisde antiquariaat na antiquariaat af, en toen daarna zijn collectie nog niet compleet was, bezocht hij de brave Ad den Besten en haalde de ontbrekende deeltjes uit diens boekenkast. Alsof dit vanzelfsprekend was, onder het motto: dichters helpen dichters.

 

DRS. P. IN VLAANDEREN

Op mijn rondreis langs antiquariaten deze zomer, hoorde ik in het prachtige middeleeuwse boekenstadje Damme een winkelier zeggen: ‘Meneer, ik verkoop zelfs onverkoopbare boeken.’ Optimistischer commentaar hoorde ik niet eerder. Ik legde bij hem de hand op het boekje Tientallen elftallen van Drs. P., die kort voordien was overleden. Volgens Boekwinkeltjes.nl in Nederland nergens te krijgen. Ik sprak drs. P. ooit in Keyzer Bodega te Amsterdam en ik herinner mij hoe hij een betoog hield vóór de sigaar en tegen de pijp. Een pijp, zei hij tegen mij als pijproker, vond hij maar vies.

Ondanks deze reprimande bleef ik werk van drs. P. verzamelen. De bundel bestaat uit 32 zogenaamde “elftallen”, een versvorm die door drs. P. ontworpen werd voor gebruik in het literaire radioprogramma de KRO (seizoen 1983-1984). Een van de “elftallen” was een kritisch gedicht over de Vijftigers. Met de vrije versvorm van de experimentele dichters had drs. P. niet veel op. In een begeleidend schrijven weet hij over Lucebert, hét onderwerp van mijn nieuwe biografie, niet meer te melden dan dat hij L.J. Swaanswijk heet, in 1924 is geboren. ‘Hij maakt ook tekeningen op zijn manier. Er zijn er nog die zijn experimentele geloof belijden, terwijl de vakman [lees drs. P, ] rustig verder pielt.’

Natuurlijk krijgt drs. P. een plaats in de Lucebertbiografie, net als Armando met zijn tegengestelde geluid in de Volkskrant van 27 juni 2015: ‘Lucebert stond voor mij voor ongebondenheid. In 1954 liftte ik naar Venetië. Mooie tocht, naar de Biennale. Via Joegoslavië, Triëst naar Venetië. Ik had maar één boek in mijn reistas: gedichten van Lucebert. Dat was het ultieme gevoel van vrijheid.’ Ik deel dat gevoel bij het lezen van de gedichten van Lucebert. Dat geldt ook voor de poëzie van Slauerhoff. In een ander antiquariaat in Damme werd de tweedelige poëzie-uitgave van Slauerhoff aangeboden. In de winkel waren maar bundels van een paar Nederlandse dichters voor handen: Slauerhoff, Huub Oosterhuis en Gerrit Komrij, maar je zal er maar als liefhebber naar op zoek zijn. Ik vond er de bloemlezing poëzie rond de Belgische schilder Roger Raveel, een uitgave bij de beroemde poëzietentoonstelling in Watou, met, jawel, een gedicht van Lucebert met de eerste meeslepende regels:

er is alles in der wereld het is alles
de dolle hondenglimlach van de honger
de heksenangsten van de pijn en
de grote gier en zucht de grote
oude zware nachtegalen
het is alles in de wereld er is alles

Lucebertleest

Ik hoor nog de stem van Lucebert die in de zomer van 1993 klonk in een oude lage en donkere schuur te Watou, met als enig bijgeluid de klank van onzichtbare waterdruppels in een emmer. Op een omschut plein bezocht ik nog twee grote antiquariaten. ‘Kijkt u maar rustig rond, het zijn maar tienduizend boeken”, zei een eigenaar. Ik bracht er nog een uur door en verliet daarna gepakt en gezakt het vriendelijke stadje dat ik elke boekenliefhebber aanbeveel, evenals natuurlijk het poëziedorpje Watou.

Je kunt na je bezoek aan Damme op de raderboot naar Brugge varend, van je antiquarische vondsten volop genieten. Waar is het lezen van poëzie bedwelmender dan op die vaartocht van drie kwartier, zonder hinderlijke muziek, met alleen het geluid van de schepraderen die op en door het water slaan? Op de terugweg naar Nederland kon ik nog even pauzeren in een antiquariaat te Goes, met op de zolder twee dozen met boeken van Vestdijk. ’Ja meneer, Vestdijk krijgt van mij twee dozen, zo belangrijk vind ik hem. Waarom hebt u uw Vestdijkbiografie niet bij u?’ Kijk, zo’n ontvangst maakt het bedroefde afscheid van het boekenstadje Damme meteen weer dragelijk. (sept./okt.2015)

 

HUURBAZEN

Zoals waarschijnlijk alle lezers van Boekenpost kan ook ik het in het buitenland niet laten om antiquariaten en boekhandels binnen te lopen. Rondneuzen is een vakantiebelevenis. Met die instelling vind je altijd wel wat van je gading.

Na een snelle en comfortabele treinreis van ongeveer drie uur viel ik, lopend vanuit het station naar het centrum van de Noord-Franse stad Lille (oftewel het vroegere Rijssel), meteen in de boeken, toen ik op de binnenplaats van het statige oude Beursgebouw een tiental antiquaren achter hun druk bezochte boekenkramen zag staan. Zij bleken daar tijdens de zomermaanden elke werkdag aanwezig te zijn en in de rest van het jaar op zaterdag. Hun waar bleek na mijn korte inspectie van goede tot hoge kwaliteit te zijn. De thema’s verschilden natuurlijk van de thema’s op de Nederlandse boekenmarkten. Véél Franse geschiedenis, veel over de Grote Oorlog, veel over generaal Charles de Gaulle, die de Franse mannen in juni 1940 tijdens de Tweede Wereldoorlog opriep om naar Engeland uit te wijken, om aldaar een Frans leger te vormen tegen de Duitsers. De Gaulle werd in Lille geboren. In de Rue Princesse 9 is in zijn geboortehuis een heel aardig museum ingericht. Maar laat ik zwijgen over musea in Lille en omgeving, want dan heb ik aan één column niet genoeg.

Lille1

Wat zag ik nog meer op die binnenplaats? Biografieën van wetenschappers, atlassen van Afrikaanse landen, munten, partituren, ansichtkaarten, foto’s van operazangers en zangeressen, verhalen van ontdekkingsreizigers, beschrijvingen van kerken en kloosters – er zijn veel kerken in Lille met véél stoelen die in dit katholieke Lille op zondagen mondjesmaat bezet zijn - , architectuur (Rem Koolhaas bouwde in Lille een opzienbarend winkel- en zakencentrum: Euralille en het station Lille Europe!). Ik ging aan de haal met een voor mij onbekend Frans tijdschrift dat gewijd was aan Jacques Brel van wie ik alles verzamel.
Op de binnenplaats van de beurs was ik samen met mijn vrouw Thera Coppens, die voor haar volgende boek op zoek is naar geschriften over de 13de eeuw. Een antiquaar wist haar te vertellen dat zij dan beslist zijn beroemde collega Godon in de Rue de Masurel moest bezoeken. Helaas kwam zij er voor een gesloten deur te staan. De antiquaar was op vakantie. Met vragende blikken keek Thera de diepe winkel in. De uitstalling van de boeken op enkele tafels en in de etalage lokte aan haar de uitspraak uit dat zij zeker terug zou komen.

Deze laatste belevenis vertelden wij aan een Vlaamstalige gids die de stad door en door kent. Zij ging met ons mee terug naar de Rue Masurel in het hartje van de stad, en wees naar een vijftal leegstaande panden. Daarin waren nog maar pas geleden ook antiquaren waren gevestigd. Omdat Lille de laatste jaren almaar meer toeristen trekt die wel wat te besteden hebben, waren de panden nog niet zo lang geleden door Nederlandse projectontwikkelaars gekocht. Met zwart geld dat wit moest worden gewassen? Zij hadden meteen de huurprijs verdrievoudigd, waardoor de antiquaren hun handel moesten opgeven. Zij zullen worden opgevolgd door kledingzaken, toerismewinkels en restaurantjes. Wat een treurnis. Het is niet een tanende belangstelling voor boeken die een antiquaar hier de das om doet, maar de geldzucht van de eigenaar van het huurpand.

Ik heb mijn boosheid om deze ook in Nederland bekende ontwikkeling maar laten varen toen ik op de grote markt van Lille de grootste boekhandel van Frankrijk en misschien wel van Europa binnenliep. De naam is: Furet du Nord. Zes verdiepingen boeken, prachtig in thema’s ondergebracht op tafels, in molens, rekken en kasten. En op elke verdieping vriendelijk en deskundig personeel. Met twee vertaalde romans van Arnon Grunberg, onder de arm - na betaling aan een van de zes centrale kassa’s – verliet ik welgemutst de winkel. Ik kon de boeken toevoegen aan mijn Grunbergverzameling. Wat kan het leven van een verzamelaar toch mooi zijn, op zomaar een dag in zomaar een Noord-Franse stad..

 

HET GEHEIME WAPEN VAN DE KONING

Tijdens zijn staatsbezoek aan China had onze koning Willem-Alexander een geheim wapen bij zich. En omdat het geheim was, heeft er geen krant over bericht. Hoe ik dat weet?
Onlangs sprak ik een Engels sprekende Chinese investeerder die paleis Soestdijk wilde kopen. Een collega van hem had de voetbalclub ADO Den Haag gekocht, een andere collega had zijn zinnen gezet op de voetbalclub Heerenveen, maar hij wilde iets cultureels doen. Ik vroeg hem wat hij met het paleis van plan was. Hij glunderde en antwoordde: ‘In Paleis Soestdijk komt een museum over China, Nederland en de literatuur.’

Ik probeerde snel mee te denken. Het handboek van W.L. Idema: de Spiegel van de klassieke Chinese poëzie. Van Het Boek der Oden tot de Qing-dynastie, schoot mij te binnen. En zorgde diezelfde Idema samen met Lloyd Haft niet voor het kloeke boek: Chinese Letterkunde? Ik wist zeker dat Lloyd Haft het voorwoord schreef voor de door Daan Bronhorst samengestelde en vertaalde bundel: Honderd Chinese gedichten van 400 tot 1400, omdat ik dat boek zelf had uitgeven, evenals dat andere boek van Bronkhorst: Chinese dichters. Duizend jaar Chinese poëzie. En van Hans Dütting kreeg ik zijn essay: De poëtische schatkamers van de T’ang Dynastie. Behalve de laatste titel (oplage twintig genummerde en gesigneerde exemplaren) zijn de genoemde boeken antiquarisch en met enige moeite nog wel te verkrijgen. Ze zouden in een antiquariaat in de hal van het Paleis niet misstaan. Dat vertelde ik de Chinees. En, vervolgde ik, de kamer van Juliana zou een meditatieruimte kunnen worden met de gesprekken van Confucius als geluidsdecor, en prinses Irene zou in de kamer van haar vader cursussen tauïsme kunnen geven. O ja, als we de tuinen van Soestdijk eens zouden kunnen bevolken met hedendaagse Chinese beelden die in Europa zoveel indruk maken?

De Chinees hoorde mij geduldig aan en zei: ‘Dat kan allemaal, maar ik denk toch vooral aan het wapen van uw koning.’ Ik peinsde mij suf over wat dat dan wel zou kunnen zijn. Het bezoek aan China stond naar mijn weten in het teken van economie en sport, met een vleugje mensenrechten. De Chinese investeerder glimlachte zoals alleen Chinezen kunnen glimlachen, spreidde zijn handen en zei luidop: ‘Slauerhoff!’ Wat???? ‘Ja, uw koning had van de grote Nederlandse dichter Slauerhoff Het verboden rijk en Het leven op aarde bij zich, romans die zich in het China van de jaren ’30 afspelen, evenals de bundel verhalen Het lente-eiland.
Mijn mond viel open, ik wist niet wat mij overkwam. Dat mag toch wel even als je de biograaf van Slauerhoff bent. Toen ik weer een beetje bij zinnen was, vroeg ik: Hoe weet u nu of het werk van Slauerhoff wel geschikt is voor Paleis Soestdijk? U hebt het nog niets eens kunnen lezen. ‘Jawel, jawel, dat kon onze president wél, en dat kon ik als zijn adviseur ook. Dankzij uw onvolprezen minister van cultuur. Zij liet de boeken van Slauerhoff in het Chinees vertalen. De vertalingen waren tijdens de gesprekken van de koning met onze president zijn geheime wapen. Niemand had op dit originele geschenk gerekend. Wij zijn diep geroerd en zullen zorgen dat het onderwerp Slauerhoff in China in woord, kleur en geluid breed in het Paleis Soestdijk zal worden ten toon gespreid.’

Ik denk voortaan anders over de handelsreizen van onze koning, dat zal iedereen die van boeken houdt begrijpen. Dit positieve verhaal had ik wel nodig nadat ik een column van Tommy Wierenga had gelezen. Hij was met A.L. Snijders uitgebreid voor de Vlaamse radio, op prime time (!) geïnterviewd over het 100-jarig bestaan van Nescio’s Titaantjes. Het verbaasde de radiojournalisten dat daaraan in Nederland nergens aandacht aan was geschonken. Mij verbaast de onverschilligheid voor onze literaire geschiedenis in de Nederlandse media al lang niet meer. Maar met wat ik nu weet zal ik de koning vragen om op koningsdag (27 april) opnieuw een geheim wapen te hanteren, namelijk het uitdelen op alle middelbare scholen van Music-hall, de bundel waarmee de Vlaamse dichter Paul van Ostaijen 100 jaar geleden debuteerde. Daar zullen de Vlamingen van opkijken! En ik ook.

 

BERLIN BERLIJN MOEDIG ZIJWAARTS

De treinreis Amersfoort – Berlijn Hauptbahnhof duurt zes uur. Vice versa is dat dus twaalf uur, ruimschoots de tijd om een boek van 190 bladzijden te lezen en de leesstof ook nog te laten bezinken. Ik las artikeltjes en verhaaltjes van de Amsterdamse boekhandelaar Ton Schimmelpenninck die hij bundelde onder de titel Moedig zijwaarts en zelf uitgaf (ISBN 9789081517324). Uit zijn huisorgaan ‘De Bode’, uit ‘Het Parool’ en enkele andere uitgaven koos hij stukjes over het leven van een boekhandelaar die hijzelf is.

moedigzijwaarts
Ze zijn soms van een Nescio-achtige eenvoud, en van een Carmiggeltse nuchterheid. En de nodige kwinkslagen deden mij luidop lachen, wat doorgaans niet mijn gewoonte is. De paar Duitse medereizigers, die verdiept waren in hun digitale speeltjes, hieven sociaal hun hoofd, keken mij aan, daalden vervolgens met hun ogen naar mijn boek, en glimlachten vertederend. Ach, meneer vermaakt zich met een boek. Jazeker, en de schrijver had hem ook nog de ruimte gegeven om zélf een personenregister te maken. In het boek staan opmerkingen over de status van de boekverkoper en boekkoper, van de schrijver en van de lezer. Er is veel treurnis geweest in het boekenvak met Polare c.s., er zal nog wel treurnis komen, zoals op onze universiteiten waar op letterenfaculteiten hoogleraren door managers worden berispt omdat zij zich te veel bezighouden met tastbare boeken en studenten aanzetten tot lezen.

Maar het optimisme van Schimmelpenninck biedt troost en die deel ik, als hij schrijft:
‘Ergens, verspreid over alle provinciën, hebben enkele boekwinkels en uitgevers zich opstandig weten te verzetten tegen het dieventaaltje van marketinggoeroes met hun groeistuipdoctrines, uniworsten en verdienmodelletjes. Daarom: leve de kleine zelfstandige ambachtsman/vrouw.’ Ik moet eraan toevoegen: leve de antiquaren die laten zien dat zij voor de continuïteit in cultuur, in kennisoverdracht en in informatie in de bres staan, en dat niet alleen in nostalgische zin. Zij maken zich met boekhandelaren en uitgevers breed en houden zich staande. Moedig zijwaarts gaan, naar alle kanten toe, dat is het motto. Schimmelpenninck geeft ongewild zelf een voorbeeld van wat dit betekent, als hij Jan de Hartog aan het woord laat [hij schrijft Jan den Hartog, een klein foutje dat we de criticaster, die Schimmelpenninck ook bij tijd en wijle is, moeten aanrekenen] over het optreden van de Duitse Dada-kunstenaar Kurt Schwitters in de Koningszaal van Artis. Een onnavolgbaar verslag dat de antiquaar zal doen afdalen naar zijn kelder om er de boeken van Jan de Hartog uit het stof te halen.

In Berlijn bezocht ik het huis van Bertolt Brecht en bestudeerde diens boekerij, waartussen een dichtbundel van Lucebert. In het nabijgelegen Brechttheater, ook wel Berliner Ensemble genoemd, zong ‘onze’ Nina Hagen, hartverscheurend mooi, liederen van Brecht, en in het museum Hamburger Bahnhof zag ik, naast de grote werken van Anselm Kiefer en Andy Warhol, de tentoonstelling ‘Die schwarzen Jahre 1933-1945’, over wat in die tijd door de nazi’s verboden werd en wat niet. Met andere woorden: wat kunst was en wat kitsch. Daarna bleef ik in de museumboekhandel ruim twee uur speuren, lezen en kopen. Ik werd er door de niet te evenaren kunstboekencollectie liefdevol omarmd. Kom maar lezer, hier ben je veilig!
Dat gold ook voor ‘Dussmann dat Kulturkaufhaus’ in de Friedrichstrasze, waar ik na de aankoop van ‘Mit Haut und Haaren’ van Arnon Grunberg een kop koffie kon drinken bij een wand met duizenden tropische plantjes waarlangs rustgevend een watervalletje kletterde.

Waarmee maar gezegd wil zijn dat het thema van de Boekenweek dit jaar Duitsland is, waar ik veel van verwacht, onder andere het boek ‘Berlin Berlijn’ van Hans Olink, die jarenlang in Berlijn woonde en oog had voor de aanwezigheid van Nederlandse kunstenaars aldaar, van Paul Citroen tot Armando, van Cees Nooteboom tot Cox Habbema.

 

STOP DE BOEKENDIEVEN

Hoe je het leven van boekhandelaren en antiquaren zuur kan maken, liet de columnist Frits Abrahams in NRC/Handelsblad van 24 februari 2016 zien. Hij beval zijn lezers aan voortaan de mooiste en interessantste boeken voor twee euro aan te schaffen in kringloopwinkels. Nog goedkoper is, namelijk helemaal voor niets, als je je overgeeft aan de nieuwste rage: het meenemen van boeken die bij particulieren langs de straat of de weg uitgestald zijn in dozen en kasten. Voor een koopje of voor noppes op de eerste rij zitten, dat is de laatste jaren het motto als het om de aanschaf van boeken gaat. Dat schrijvers en antiquaren niets meer verdienen aan dit kringloopgedoe is duidelijk. Hun bestaansrecht wordt ontkend.
Voor noppes kan nog veel meer. Schrijnende voorbeelden van het bestelen van auteurs, vertalers, uitgevers, boekhandelaren en antiquaren, gaf de kinderboekenschrijver Rian Visser op 25 februari 2016 in NRC Handelsblad onder de titel STOP DE BOEKENDIEF.

Er zijn leerkrachten die een prentenboek voorlezen, de plaatjes filmen en het geheel op YouTube zetten voor hun leerlingen en hun ouders, of het resultaat delen via Dropbox of Facebook. Deze amateur-producenten vinden blijkbaar dat mensen recht hebben op gratis boeken. Een ander voorbeeld is dat al 2500 basisscholen aangesloten zijn bij de organisatie Bibliotheek op School, die samen rond 20 miljoen boeken uitlenen. Ze zijn vrijgesteld voor het betalen van uitleenvergoeding die de gewone bibliotheken wel moeten betalen. Ik heb nog meegedaan aan de schrijversactie om die vergoeding wettelijk rond te krijgen. Nog een voorbeeld: er zijn onderwijzers die luisterboeken op een cd zetten, en ze vervolgens net zoveel keren kopiëren als er kinderen in hun klas zitten. Rian Visser komt regelmatig lezers tegen die haar onverbloemd vertellen dat zij op een van de genoemde manieren, ook die van Abrahams, gratis aan boeken zijn gekomen. En zij vertelt hoe dat voelt: ‘Stel, je bent bakker en er komt iemand in jouw winkel en die zegt: “Ik wil jouw brood, maar ik hoef het helemaal niet te kopen. Ik weet hoe ik in jouw winkel kan inbreken, dus pak ik het gewoon. Jij kunt echt heel goed brood bakken. Dat wil ik graag even tegen je zeggen”.’

Frits Abrahams is geen bakker, wat zullen we tegen hem zeggen? Het volgende: ‘Beste abonnees van NRC/Handelsblad, waarom jaarlijks honderden euro’s abonnementsgeld betalen, als je om niets via teletext het nieuws beknopter, objectiever en sneller kunt krijgen. Zeg het abonnement op! Van columnisten koop je hun bundels met columns in boekhandel of antiquariaat. Dan ben je altijd nog goedkoop uit.’

Nu is Frits Abrahams een man van goede wil. Regelmatig attendeert hij zijn lezers op boeken die slechts via het antiquariaat te koop zijn. Onlangs liet hij tot tweemaal toe zijn ontroering blijken na het lezen van een gedicht van Gabriël Smit (1910-1981), katholiek dichter uit Laren. Ik heb hem goed gekend, omdat zijn bundels werden gepubliceerd door uitgeverij Ambo, waar ik jaren voor werkte. Ik heb vijf bundels van hem, een enkele met opdracht, gedateerd en gesigneerd. In antiquariaten is zijn werk volop verkrijgbaar. Ik beveel met name de bundel Grensverkeer (1975) aan, met door Smit vertaalde gedichten van Auden, Brecht, Eluard, Neruda, Rilke en nog 30 dichters. Bijzonder waren de gesprekken die ik met Gabriël had over Mozart, Pascal èn de dichter Achterberg die hij goed gekend had. Ik was nog schrijvende aan de Achterbergbiografie en werd door Gabriël overrompelend verrast toen hij mij zes verschillende, door Achterberg gesigneerde eerste drukken van bundeltjes ten geschenke gaf. Dat was destijds, ik heb het over 1980, een vermogen waard. Zo kwam ik ook eens gratis aan boeken, maar dat heeft natuurlijk niets met diefstal te maken.

 

PARTICULIER INITIATIEF

PICT1716

Je zou als antiquaar of boekverkoper in de winkel een deel van een boekenkast of –tafel kunnen reserveren voor het THEMA VAN DE MAAND. Dat thema wordt dan niet bepaald door concerndiscipline of door algemene manifestaties als de Boekenweek, de Week van de Filosofie, de Week van het Spannende Boek, de Kinderboekenweek, en de Week van het Kookboek. Het gaat nu om het particuliere initiatief van de ondernemer. Hij/zij laat zien wat oorspronkelijkheid en inventiviteit betekent in het verkoopland van de boeken. Een thema zou kunnen zijn: BOEKENAVONTUUR, maar dan met een sterkere titel. MET ALLEEN HET BOEK ALS LEIDRAAD of ZONDER BOEK GEEN BOEK. Het gaat dan over romans en andere boeken, waarin een boek zo niet de hoofdrol, maar dan toch wel een voorname rol speelt. Ik denk aan In de schaduw van de wind van Carlos Luis Zafón; De naam van de roos van Umberto Eco; De boekendief van Markus Zusak; Zo gemakkelijk kom je niet van boeken af (zou ook de titel van dit thema kunnen zijn) van Umberto Eco & Jean-Claude Carrière en Moedig zijwaarts van Ton Schimmelpennink.

Een recent boek dat ik onder dit thema rangschik in Tussen de regels, één van de vele romans van Donna Leon die zich in Venetië afspelen en die ik tijdens vakanties zo graag lees, bij voorkeur in het vliegtuig: een goed middel tegen vliegangst. De plaatselijke rechercheur Brunetti krijgt te horen dat kostbare bladzijden gestolen zijn uit enkele zeldzame boeken van de bewaakte Venetiaanse bibliotheek. Er zijn boeken bij die geschonken zijn door een nog levende contessa. Het is de angst van antiquaren en bibliothecarissen: de onherstelbare schade die aan een boek wordt aangericht als er een bladzij uit wordt gesneden. Ik heb het niet over beunhazen die kostbare boeken versnijden, omdat de losse plaatjes ook geld opbrengen. Dat heet het kannibaliseren van een boek. Ik heb het over de boekenliefhebbers en professionals die de schoonheid van een boek net zo belangrijk vinden als de inhoud. Donna Leon geeft van die categorie een aardig voorbeeld: de natuurhistorische boeken waarin de feiten niet altijd kloppen maar de tekeningen oogstrelend zijn. Voor veel mensen gaat van zeldzame boeken en/of van heel mooi gemaakte boeken een fascinatie uit, die in een zeldzaam geval tot de misdaad kan leiden. Daar gaat Donna Leons roman over.

Verder met het Thema-van-de-Maand-idee dat ik nog een beetje uitwerk. In het begin moeten de klanten op het ‘themahoekje’ worden gewezen, op internet en in de winkel met een kaart vol informatie. Leesclubs kunnen er hun voordeel mee doen. Klanten kunnen na aanschaf van een boek, in een dummy schrijven of via internet doorgeven, welke titel de winkelier “vergeten” is. Onder de inzenders wordt een boekenbon of een bijzonder boek verloot. Op de informatiekaart bij het volgende thema, worden de aanvullingen op het vorige thema met naam (van de klant) en toenaam (het boek) vermeld. Klantenbinding noem je dat.
Ik sluit af met de realiteit van elke dag in antiquarenland. Op mijn columns krijg ik het commentaar dat ze te optimistisch zijn. Nu ben ik een cultuurpessimist, maar ik zie het niet als mijn taak bij de somberte te gaan neerzitten. Die is er natuurlijk wel. Na vele jaren kwam ik in Den Bosch; “vroeger” waren daar zes open antiquariaten, nu geen één meer. Maar ik word dan weer vrolijk als ik op de Haagse Boekenmarkt verneem dat er in Den Haag twee nieuwe antiquariaten komen, en nog vrolijker werd ik tijdens mijn tweemaandelijks bezoek aan Antwerpen, toen ik naast de twee vertrouwde antiquariaten in die buurt, vlakbij het Conscienceplein en mijn stamkroeg Quinten Matsijs, in de Wolstraat 2 het antiquariaat van Leon Lemahieu ontdekte. Ik vroeg argeloos naar werken van Slauerhoff en Lucebert en kreeg een aanbod te zien, inclusief twee niet vervalste gouaches van Lucebert, waar ik helemaal gelukkig van werd. Toen Leon vroeg wie ik was en ik antwoordde met: de biograaf van Slauerhoff en Lucebert, riep hij uit: ‘Bent u dé Wim Hazeu?’ Zo’n onthaal maakte ik niet eerder mee. Ja, daar hebben wij op z’n Vlaams op gedronken.

IMG 0795

 

BRIEVEN WEG

De brievenpost neemt jaar na jaar af. Het is de vraag of over enkele decennia biografen gebruik kunnen maken van e-mails en andere nieuwe vormen van communicatie. Ik ben bang van niet. Welke schrijver bewaart jarenlang zijn e-mails? Ik kan hard gaan roepen: maak een uitdraai (print) van de belangrijkste e-mails, maar vind ik gehoor? Er zijn gelukkig nog schrijvers die doorgaan met het schrijven van brieven. Zelf heb ik een correspondentie met medebiograaf en vriend Jan van der Vegt. Ze duurt veertig jaar of langer en de honderden brieven worden op beide adressen bewaard in ordners en dozen. Zonder hooghartig te willen zijn vertegenwoordigen ze veertig jaar literaire geschiedenis, gezien door de ogen van twee eigenwijze biografen.

Wij spiegelen ons aan bestaande gepubliceerde correspondenties. Zoals aan de briefwisseling tussen de betreurde Henk Hofland en Ad Fransen. En wie kent niet de brievenboeken van Gerard Reve, Jeroen Brouwers, Chris van Geel, Geert van Oorschot, Gerrit Achterberg en Vincent Mahieu? Even bekend is het succes van recente brievenuitgaven, zoals die van Heere Heeresma en Nanne Tepper, Ze bewijzen dat literaire brieven, nog los van het belang voor biografen, graag worden gelezen. In mijn studentenjaren was ik weken onder zeil met de vierdelige uitgave van de correspondentie Ter Braak – Du Perron. En daarna nog langer met de negen brievenboeken van Du Perron alléén, waarvan ik losse delen bij elkaar scharrelde via antiquariaten.

Een brievenboek van Du Perrons vriend Slauerhoff, bezorgd door Hein Aalders, is op komst. Ik zie ernaar uit, evenals naar de publicatie van de omvangrijke correspondentie tussen W.F. Hermans en de eigenzinnige Vlaamse dichter Gust Gils, bezorgd door René Franken. Laatstgenoemde, de eigenaar van antiquariaat Demian te Antwerpen, weet hoe belangrijk ongepubliceerde brieven in de handen van antiquaren kunnen zijn. Aan- en verkoop van brieven kan zeer lucratief zijn..

Op mijn zolder liggen omvangrijke correspondenties met Jeroen Brouwers, Gerard Reve, Harry Ter Balkt, Ward Ruyslinck, Hester Knibbe en anderen. Twintig andere briefwisselingen heb ik inmiddels geschonken aan het Letterkundig Museum in Den Haag en het Letterenhuis te Antwerpen. Een enkele brief vond zijn weg via een antiquariaat. Door mij bezorgde publicaties van brieven zijn niet voorzien, een enkele keer vanwege de weigering van de auteur of een erfgenaam, maar vooral omdat ik er geen tijd voor heb. Maar goed, de brieven bestaan nog en zullen ooit wel geraadpleegd worden door biografen. Ik heb er trouwens al een aantal over de vloer gehad in mijn eigen letterkundig museum en documentatiecentrum.

Ik heb als radio- en televisieproducent en uitgever tientallen jaren ook contacten gehad met kunstenaars die nauwelijks of geen brieven schreven. Seth Gaaikema bijvoorbeeld, literair gezien in mijn ogen geen slechte dichter en zeker een belangrijke vertaler. Ik heb over een periode van meer dan 25 jaar vriendschap maar één enkele korte brief ontvangen. Van Toon Hermans slechts een paar krabbeltjes in eenzelfde periode. Dat laatste is nog te begrijpen want we woonden bij wijze van spreken bij elkaar om de hoek en 25 jaar lang bezocht ik heb minimaal twee keer per maand. Dan weet je veel van elkaar en zijn brieven overbodig. Onvergetelijke momenten van vertrouwen en creativiteit. Het is gek, maar aan drie mannen denk ik regelmatig terug, en als ik regelmatig zeg bedoel ik: bijna elke dag. Het betreft mijn vader, Toon Hermans en mijn jong gestorven vriend, dichter en essayist Harry Scholten.
Ten slotte: Zonder de briefwisseling tussen Achterberg en zijn ontdekker Roel Houwink, zou de Achterbergbiografie armer zijn geweest. Houwink zou het onderwerp van een biografie kunnen zijn. Jammer dat Hans Werkman, na publicatie van zijn biografieën van De Mérode en Van Eerbeek, met dit vak is gestopt. Hij zou er geknipt voor zijn. Wie voelt zich geroepen?

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save